Evacuees.
Evacuees uit het westen van Nederland.


Belevenissen van Jan Bel uit Rotterdam.

Het zal eind oktober begin november 1944 zijn dat ik met een paar honderd kinderen per trein uit Rotterdam vertrok. Ik denk laat in de middag . Hoe lang die reis geduurd heeft, weet ik niet. Maar ik weet wel dat de trein zeer lang heeft stilgestaan (vermoedelijk nog voor Utrecht) en dat alle lichten in de trein gedoofd werden. Ik denk dat de trein niet opgemerkt mocht worden door aanwezige vliegtuigen. Vanuit de trein was er boven de weilanden "vuurwerk" te zien en zwaaiende zoeklichten. Na een, voor mijn gevoel, lange tijd werd de reis voortgezet. Wat het eindstation is geweest weet ik niet, maar het laatste deel (ik dacht met een boemeltje) leidde naar Stadskanaal, waar ik tegen de nacht aankwam en de nacht in een leeg schoollokaal, in stroo, heb doorgebracht.

De andere morgen kregen we 1 witte boterham met aardbeien jam ! Maar even over de trein vanuit Rotterdam: dat was bepaald geen lolletje ! De trein was afgeladen met kinderen. Op de banken, tussen de banken en in de gangpaden zaten huilen­de kinderen. De begeleiders/begeleidsters moesten over de kinderen heenstappen. Ik herinner me ook de vreselijke dorst die we hadden, maar er was niets te drinken. Het enige wat er werd uitgedeeld, gedurende de hele reis, was een hard blokje honing (druivensuiker).

Des anderen daags, het was een sombere druilerige ochtend, ben ik met een vijftiental kinderen met paard en wagen van Stadskanaal naar Musselkanaal gebracht, wat ik wel een mooie rit vond. Het motregende en we werden ge­bracht naar een laag gebouw, verenigingsgebouw of wijkgebouw rechts in de gang ging ik naar binnen en kwam in een groot lokaal. Er was een pleintje voor en het bevond zich in de wijk waar opoe Stuive woonde. Ik dacht dat ik daar ben afgehaald door Aafke. Aangekomen aan de Havenkade waren op dat moment aanwezig Henny, Willemien en je Moeder, Henny stond te strijken.

Aafke vroeg of ik honger had ? Ja ,dat had ik. Er werd meteen een dikke boterham gemaakt met geraspte, natte kaas. Of ik er nog een wilde ? Ja, natuurlijk. Dat is toen wel even verkeerd uitgepakt, maar de honger was wel over. Dat ik aanvankelijk bij jou heb geslapen weet ik, maar jij hebt daar terecht tegen geprotes­teerd omdat ik in bed plaste. Tante Trien heeft geprobeerd mij daar op haar manier vanaf te helpen, maar uiteraard zonder resultaat. Zo zijn er nog talloze fragmenten die ik zou kunnen beschrijven maar ik laat dit documentje voorlopig hier maar bij.

PS: Later heb ik uitgezocht dat ik was aangekomen op stationnetje (woonhuis) Stadskanaal Oost en dat ik de 1e nacht heb doorgebracht in het Ubbo Emmius gebouw (voorheen HBS) in de Stationsstraat. Omdat dat intussen meer dan 60 jaar geleden is, zal er waarschijnlijk niemand meer zijn die dit ook nog weet.

Van de Stationsstraat zijn we met paard-en-wagen naar Musselkanaal gebracht naar de school in de Kerkstraat (thans CBS Lindenborgh en hebben ook een site)

Met de huidige directeur heb ik nog een leuke mailwisseling gehad. Zelf heb ik nog gezeten op het “Geref.schooltje 1937” (zie foto op site Lindenborgh) de plaats dus waar een grote kachel midden in het lokaal stond.

Op 26 april 2005 kreeg ik vanuit Roden een krantenartikel toegezonden van Willemien Pathuis, de jongste dochter van de familie Pathuis uit Musselkanaal. Dit artikel was haar weer toegestuurd door Henny Eeftink-Pathuis die woont aan de Paulus Potterstraat in Musselkanaal. Uw artikel heeft dus een aardige weg afgelegd alvorens bij mij (in Delft) op de deurmat te vallen.

Mijn naam is Jan Bel, geboren 9 juli 1938 te Rotterdam en gedurende de hele oorlogstijd en ook nog daarna (tot 1947) heb ik met mijn ouders in het Oude Noorden van Rotterdam gewoond.

Een paar herinneringen daaraan:

Omdat ik nog geen 2 jaar oud was, weet ik van het 1e bombardement van Rotterdam in mei 1940 bijna niets af, dus geen vliegtuigen of onweersgeluid e.d. maar wel weet ik dat mijn grootmoeder van Moederskant bij ons thuis was en huilde. Later vertelden mijn ouders dat dat was omdat het huis van Opoe aan het Oostplein was gebombardeerd en dat de katten en de vogeltjes dood waren en alles weg was. Bij dat 1e bombardement is ook mijn geboortehuis (Rubensstraat in Kralingen)) gebombardeerd; zouden mijn ouders niet kort na mijn geboorte daar zijn vertrokken, had ik u dit epistel nu niet kunnen schrijven. Ik vind het moeilijk om te stellen dat God mij (ons) gespaard heeft (wat eigenlijk wel het geval is) maar wie is/zijn er dan gegaan in onze plaats en waarom? Allemaal vragen waarop geen antwoord is…

Het 2e bombardement (mrt ’43) heb ik bewust meegemaakt; we moesten van m’n Vader beneden op de trap gaan zitten (omdat het trappenhuis het sterkste deel is, zoals hij later vertelde) ik zat op de onderste tree en twee treden boven mij zat rechts achter me mijn Vader en links mijn Moeder met op haar schoot mijn oudste zusje die toen net een jaar was. Door het bovenraam van de deur zagen we de blauwe hemel vol met vliegtuigen die met veel lawaai overvlogen. Later werd er verteld dat de vliegtuigen zo laag vlogen dat het haantje van de toren van de kerk aan de Snellemanstraat er af was gevlogen maar of dat ook echt gebeurd is daar ben ik nooit achter gekomen.

Veel gebeurtenissen in die oorlogstijd staan mij nog helder voor de geest; het luchtalarm, de schuilkelders en wat grote indruk heeft gemaakt de 1e razzia waar alle mannen in de straat uit huis werden gehaald, dus ook mijn Vader, en zich in een lange rij moesten opstellen in de straat. Toen ze onder begeleiding van de Duitsers de straat uit liepen, zwaaiden alle Moeders en kinderen hen vanuit het raam na en toen de laatste mannen de hoek om waren werd er met een mitrailleur vanaf de hoek van de straat langs de ramen geschoten en iedereen deed gauw het raam naar beneden en mijn Moeder trok me gauw naar binnen.

De andere dag liep ik met mijn Moeder te wandelen langs de Rotte en ik vond een mooi takje en vroeg mijn Moeder “Is dit nou een toverstokje?” “Ja, zei ze” en ik vroeg haar wat ik dan eens zou toveren? Ze zei toen letterlijk: “ Tover maar dat je Vader thuis komt en liefst zo gauw mogelijk” En zo geschiedde; Hocus Pokus Pilatus Pas…. diezelfde avond, het was al donker maar ik was nog niet naar bed, schrok mijn Moeder omdat de kamerdeur zachtjes openging en mijn Vader de nauwelijks verlichte kamer binnenstapte ! Het enige licht dat wij hadden was een klein lampje en dat konden wij gebruiken omdat mijn Vader het ‘zegel’ van de elektriciteitsmeter al eerder had verwijderd en wij klandestien electriciteit hadden. Bij iedereen was de elektriciteit namelijk afgesloten, verlichting was verboden en elk huis moest ook verduisteringspapier voor de ramen hebben.

Mijn Vader was weer thuis ! Dat wil zeggen maar kort want diezelfde avond is hij weer vertrokken naar een pakhuis in het Zwaanshals in Rotterdam, waar hij (samen met iemand van het Leger des Heils, hr Berkenbos) is ondergedoken. Wat was er gebeurd; toen de lange rijen mannen net buiten Rotterdam waren, werden er (schijn-)aanvallen uitgevoerd door Engelse vliegtuigen en iedereen, inclusief de Duitsers, zocht een veilig heenkomen en bij die gelegenheid is mijn Vader met Berkenbos bij mensen in een kelder gestopt en nadat iedereen zich weer moest opstellen, zijn ze daar blijven zitten en veel later teruggelopen naar het Oude Noorden.

Ik ben intussen al veel te uitvoerig geweest en zal verder gebeurtenissen maar achterwege laten en ‘gaan’ in de richting Musselkanaal: Er was in Rotterdam nauwelijks iets te eten. Omdat ik er slecht uitzag en ook al voor een (ouderwets-) rontgenapparaat had gestaan.

Om mijn longen te laten bekijken, mocht ik 1x per week naar een schoollokaal in de Gerard Scholtenstraat om daar een bord soep te eten. Moeders mochten niet mee naar binnen, ik denk omdat men bang was dat zij stiekum ook wat zouden eten ! Die soep vond ik erg lekker en we noemden die ‘muizensoep’ omdat die helemaal grijs was. Als mijn bord leeg was, kwam mijn Moeder me uit de bank halen en zij likte dan gauw even mijn bord af !

Als je daar nou aan terugdenkt, springen de tranen weer in je ogen. Het is niet te geloven maar mijn Vader heeft ook onze kat geslacht en huilend hebben we daar allemaal van gegeten!

Van een buurvrouw kregen wij een keer een vergiet met aardappelschillen, die werden gekookt en opgegeten, wat was m’n Moeder daar blij mee!

Op een dag was er een kennis op visite die mijn Moeder vertelde dat kinderen door het Rode Kruis (?) naar Friesland en Groningen werden gestuurd omdat er in Rotterdam geen eten was.

Ik heb flink geprotesteerd maar zo kwam het dat mijn Moeder me eind oktober 1944* naar het oude station DP in Rotterdam bracht waar ik, met naar schatting een paar honderd kinderen, op de trein werd gezet waar naar toe wist ik op dat moment niet.

Het was een sombere bewolkte dag en het moet laat in de middag zijn geweest. Hoe lang de reis geduurd heeft weet ik ook niet, maar ik weet wel dat de trein ergens in het land heeft stil gestaan en er was geen licht aan in de trein. Ik denk dat de trein niet opgemerkt mocht worden door vliegtuigen. Vanuit de trein zag je boven de weilanden “vuurwerk” en zwaaiende lichten door de lucht. Na een, voor mijn gevoel lange tijd, ging de trein weer rijden. Wat het eindstation moest zijn weet ik niet, maar het laatste deel voor mij (ik dacht met een boemeltje) leidde, wat ik later begreep, naar Stadskanaal. Ik weet niet of Stadskanaal een station heeft, maar ik weet wel dat we de trein uitstapten en gelijk schuin de straat overstaken naar een schoolgebouw. Het zal heel laat in de avond of misschien al tegen middernacht geweest zijn en in dat gebouw (schoolgebouw?) hebben de kinderen die daar heen gingen de nacht doorgebracht in het stroo.De andere morgen kregen we een witte boterham met aardbeien jam!

Maar nog even over die trein vanuit Rotterdam: dat was bepaald geen lolletje ! De trein was afgeladen met kinderen. Op de banken, tussen de banken en in de gangpaden zaten huilende kinderen. De begeleiders/begeleidsters moesten over de kinderen heenstappen. Ik herinner me ook de vreselijke dorst die we hadden, maar er was niets te drinken. Het enige wat er werd uitgedeeld, gedurende de hele reis, was een blokje ‘honing’ (druivensuiker).

Na de nacht die we in een schoollokaal hadden doorgebracht, werd ik samen met een vijftiental kinderen met paard en wagen van Stadskanaal naar Musselkanaal gebracht, wat ik wel een mooie rit vond ondanks het sombere weer en de motregen. We werden gebracht naar een laag gebouw, verenigingsgebouw of wijkgebouw, kan ook een schoolgebouw geweest zijn (vanuit Stadskanaal langs het water lag die wijk links) en voor dat gebouw was ook een pleintje. Ik ging naar binnen en rechts was een grote ruimte of lokaal. daar zaten mensen achter een tafel en al spoedig werd ik afgehaald door tante Trien Pathuis en dochter Aafke, die een paar jaar ouder was dan ik.

We gingen naar de Havenkade 2a. Daar waren aanwezig de oudste dochter Henny Pathuis die achter de strijkplank stond en Willemien Pathuis.

Aafke vroeg of ik honger had? Ja, dat had ik. Er werd meteen een dikke boterham gemaakt met geraspte, natte, kaas. Of ik er nog een wilde? Ja, natuurlijk. Dat is toen wel even verkeerd uitgepakt, omdat de evacueetjes eigenlijk geleidelijk aan eten hadden moeten wennen, maar de honger was toen wel even over.

Ik was aangekomen in Musselkanaal met een tasje met een kleine hoeveelheid kleding. Er zat ook een brief bij die mijn Moeder had meegegeven. Het is namelijk zo dat ik eigenlijk niet mee had gemogen naar de provincie Groningen omdat ik in bed plaste ! Dat was een voorwaarde en laten we het er anno 2005 maar op houden dat bedplassertjes (waar heel wel mogelijk de oorlogsomstandigheden debet aan zijn) minder honger hebben!

Mijn Moeder heeft dus tegen de “regels” voor mijn bestwil gehandeld.


Musselkanaal

De bevrijding die in het krantenartikel wordt genoemd, kan ik mij zeer goed herinneren: De Havenkade liep vol met jeeps en pantserwagens en de kinderen (waaronder ik dus) kregen chocola van de soldaten. We moesten ook een keer op grote afstand gaan staan omdat de soldaten vis gingen vangen in de havenkade door een handgranaat in het water te gooien en na de explosie gingen ze met een bootje de vissen verzamelen die boven kwamen drijven!

Er zijn nog heel veel herinneringen aan Musselkanaal, alleen wil ik nog vermelden dat na een paar dagen een postbode (Temming) bij de familie Pathuis kwam vertellen dat zij ook een evacueetje uit Rotterdam hadden en dat Jantje misschien met hem wilde spelen?

Laat dat nou een vriendje zijn uit dezelfde straat in Rotterdam, n.l. Benny Pastoor ! We wisten voordien van elkaar niet dat we uitgezonden zouden worden. Dat verzachtte de heimee toch een heleboel (want heimwee heeft een jongetje van 6 natuurlijk).

Als laatste bijzondere ervaring het volgende: Op een zondagochtend na de (voor een kind te lange-)kerkdienst, riep tante Trien mij en zei dat er iemand voor me binnen zat!? Ik kon mijn geluk niet op toen ik zag dat mijn Vader daar zat!!

Tijdens mijn verblijf in Musselkanaal was mijn Vader weer met een razzia opgepakt en was al op transport naar Duitsland, maar om de een of andere reden moesten de mensen, nog in Nederland ( Drenthe,Groningen of Overijssel dat weet ik niet) uit de trein en ’s-nachts naar een kamp. Daar heeft mijn Vader (weer) weten te ontsnappen en is lopend op weggegaan richting provincie Groningen, en is uiteindelijk bij een boer in Sellingerbeetse voor eten blijven werken en vandaar uit heeft hij mij in Musselkanaal kunnen bezoeken.

In een krantenartikel stond ook dat de evacueetjes pas 12 juli 1945 weer naar huis konden. Dat geldt niet voor mij want een paar weken na de oorlog is mijn Vader naar Musselkanaal gekomen. Daar kreeg hij een ouderwetse, grote kinderwagen die geladen was met bonen erwten en veel meer en toen zijn we naar huis, naar Rotterdam, gaan LOPEN ! We (ik zat vaak op de wagen) hebben daar een week over gedaan toen we in bevrijd Rotterdam terug waren. We hebben onderweg bij boeren in de hooiberg of schuur geslapen en zijn in Lemmer overgevaren naar Amsterdam, waarvan ik me alleen herinner dat we op het overvolle dek zaten.

Ik schreef dat mijn Moeder me eind oktober ’44 op de trein zette naar de provincie Groningen, maar dat zal eerder de 1e of 2e week van november 1944 geweest zijn, in elk geval na 23 oktober omdat op die datum een zusje, Christine, werd geboren. Ik weet ook dat die geboorte plaatsvond thuis bij een carbidlamp die, naar mijn Vader en Moeder later vertelden, ook bijna in brand was gevlogen.

Kort na de geboorte werd zij opgedragen (gedoopt) in het Leger des Heils in Rotterdam- Noord en daarbij was ik ook aanwezig. Na de dienst werd de baby ter verzorging meegegeven aan een mevr. Smal van het Leger des Heils omdat haar echtgenoot in dienst was bij de GG&GD in Rotterdam en daarom aan voedsel voor de baby kon komen en verder om reden dat mijn Moeder erg verzwakt was en al de zorg had voor mij en mijn oudste zus (1942) Jacoba.

Begin 1941 was mijn Moeder ook al bevallen van een doodgeboren meisje. Hoewel ik ca 2 ½ jaar was, herinner ik me heel goed dat er in de woonkeuken een (ik denk bordpapieren) zwart kistje stond op 4 dunne metalen pootjes. Het kistje was in elk geval zo hoog dat ik er niet in kon kijken. Mijn Vader heeft me opgetild en zei toen “kijk daar ligt Poppie”, de baby had nog geen naam gekregen.

De andere dag kwam de bode van het ‘begrafenisfonds’ (Vesta) die het kistje onder de arm, overdekt door zijn lange zwarte cape, meenam naar de begraafplaats Crooswijk.Ik weet ook nog dat de naam van die bode Brouwer was.

Tot slot: Door de jaren heen is er toch altijd wel kontakt geweest (zij het niet frequent) met mijn pleegouders ( beide zijn overleden ) en de laatste decennia zet dat kontakt zich voort met de kinderen Pathuis: Wiebrand, Willemien en Henny (Aafke is helaas te jong overleden).